Instituut voor Journalistiek - Syntra1

Instituut voor Journalistiek - Syntra1

VIJ - Syntra Journalistiek 1

Dit is de blog van de studenten Journalistiek 1.

Bronnengeheim en persoonlijke integriteit

AlgemeenPosted by Syntra1 Tue, June 16, 2009 13:39:51

De relatie bronnengeheim en gerecht heeft op zen zachtst uitgedrukt een stormachtig verleden gekend. Verschillende malen stonden journalisten en gerecht lijnrecht tegenover elkaar, met verhitte debatten tot gevolg. De voorbeelden zijn legio, met als meest bekende Belgische case de zaak "De stoete Oostendenoare" tegen journalist Douglas De Coninck. Het is uiteraard de functie van het gerecht de waarheid te achterhalen. Deze functie kunnen zij echter niet absoluut vervullen. Er zijn immers beperkingen waaraan ook het gerecht zich dient te houden. De wet op de bronnenbescherming is zulke beperking, en ondanks zijn schijnbaar logische belang, is deze pas zeer recent ingevoerd.

Amper een paar jaar geleden verscheen zij in het Belgisch Staatsblad, nadat zij eerder in 1996 internationaal werd erkend door het Europees Hof te Straatsburg. Het Goodwin-arrest dat hierop betrekking heeft stelt dat het bronnengeheim dient te worden beschermd in het kader van de persvrijheid en enkel aan banden kan worden gelegd wanneer hogere maatschappelijke belangen op het spel staan. Europees valt de bescherming van het bronnengeheim onder artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, wat het belang onderstreept en bovendien bevat deze reeds richtlijnen voor het opstellen van legitieme beperkingen op deze bescherming. Beperkingen moeten in deze worden geëxpliciteerd en gespecificeerd, ze moeten een wettelijk doel nastreven en ze moeten noodzakelijk zijn in een democratische samenleving.

De ratificatie in België leidde uiteindelijk in 2005 tot het opstellen van de "Wet op de Bronnenbescherming". Na tal van conflicten in de rechtszaal werd in deze wet de beperkingen gespecificeerd die het gerecht toelaten in bepaalde gevallen de bescherming op te heffen. Artikel 4 van deze wet stelt dat

"de journalist enkel op vordering van de rechter ertoe kan worden gedwongen de informatiebronnen bedoeld in artikel 3 vrij te geven, indien die van aard zijn misdrijven te voorkomen bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek of misdrijven waarbij de fysieke integriteit van één of meerdere personen ernstig wordt bedreigd en indien volgende cumulatieve voorwaarden vervuld zijn: 1) de gevraagde info is cruciaal voor het voorkomen van deze misdrijven; 2) de gevraagde info kan op geen enkele andere wijze verkregen worden". Concreet betekent dit dat enkel indien een persoonlijk levensbelang op het spel staat en het gerecht geen redelijk alternatief heeft om de informatie te bekomen, zij gemachtigd is de bescherming die de journalist ten opzicht van zijn bronnen geniet op te heffen. In 2006 werd deze wet bovendien uitgebreid ten voordele van ook de onbezoldigde journalist.

Hoewel men redelijkerwijs het belang van dergelijke bescherming kan inzien, probeert men hier en daar toch de wet te omzeilen. Georganiseerde huiszoekingen om de beschermde informatie te bekomen of het verder trachten uitputten van het niet absoluut karakter van de wet zijn de vaakst gehanteerde methodes. In dit laatste geval kan men bijvoorbeeld verwijzen naar de zaak "Luc Lamine", die de media betichtte zijn persoonlijke integriteit in die mate te hebben verstoord dat een normaal leven achteraf niet meer mogelijk was. In het debat dat volgde poneerde men de stelling dat het mogelijk zou moeten zijn de beperkingen op de wet te voorzien van een uitbreiding naar bedreiging van de persoonlijke integriteit. Naast de fysieke integriteit van een persoon zou er dus een tweede gegronde reden bestaan dewelke een opheffing van de bescherming legitimeert.

De vraag is nu of deze uitbreiding wenselijk zou zijn. In de ogen van journalisten uiteraard niet. Een persoon die de media beticht van laster en eerroof kan zich immers verhalen op de uitgever, en het vrijgeven van bronnen in deze zou weinig of niets aan de situatie veranderen. Anderzijds kan men natuurlijk stellen dat op deze manier iedereen om het even wat kan gaan rondstrooien, met potentieel verwoestende gevolgen voor een bepaald persoon, om zich erna achter het bronnengeheim te verschuilen. Voor beide stellingen valt uiteindelijk wel wat te zeggen. Doch dient men de belangen enigszins af te wegen.

Normaliter volgen journalisten een bepaalde deonthologische code en publiceren zij louter geverifieerde stukken. De rioolpers niet te na gesproken zou dus niets mogen verschijnen wat niet daadwerkelijk is gebeurd. Wanneer iemand dan iets mispeuterd heeft, moet hij daar maar de gevolgen van dragen. Laster en eerroof die gegrond zou blijken, kan mits het betalen van een schadevergoeding worden gecompenseerd, en de desbetreffende journalist zal dan ook wel de rekening gepresenteerd krijgen. Op dit vlak werkt de journalistiek zelfregulerend en lijken extra maatregelen overbodig. Wanneer op basis van een slecht bedoelende bron een journalist in nauwe schoentjes komt, zal deze trouwens misschien minder geneigd zijn om zijn bron koste wat het kost te verdedigen. Een verdere uitbreiding naar beperkingen ten opzichte van persoonlijke integriteit bieden in deze dan ook geen meerwaarde. De mogelijk negatieve impact is dan veel groter. Vooral omdat het pas na het proces duidelijk kan zijn of laster en eerroof al dan niet gegrond is, is het belangrijk de bron tot deze tijd te kunnen beschermen. Zoniet valt men terug op het pure klokkenluiderstatuut. In de vrees op represailles zal gevoelige informatie dan veel minder snel de media bereiken, wat in ieder geval de democratie niet ten goede komt.

Flagrante rioolpers, gericht op het schaden van een persoon met foutieve informatie, kan en wordt ook op andere manieren aan banden gelegd. Een bepaalde graad van bewijslast invoeren bij de uitgever voor echt schadelijke informatie, andere dan de anonieme bron, of door verificatie van een tweede anonieme bron kan een bijkomende maatregel zijn. In de praktijk blijft de journalist en zijn bron beschermd, en ligt de verantwoordelijkheid bij de uitgever die beslist wanneer tot publicatie wordt overgegaan. Er zijn er natuurlijk die zouden zeggen dat dergelijke maatregelen alleen al impliciet een beperking inhouden, daar ze ervoor zorgt dat minder gevoelige stukken worden gepubliceerd. In deze hebben zij uiteraard gelijk, doch is het misschien niet onverstandig een bepaalde geforceerde verantwoordelijkheidszin voor uitgevers in voege te hebben. Op zijn verantwoordelijkheid kunnen nog steeds schandalen gepubliceerd worden, doch zal hij iets omzichtiger tewerk gaan en twee keer nadenken alvorens een potentieel beschadigend stuk zonder meer op de mensen los te laten. Indien een persoon een voldoende graad van mogelijk schadelijke gevolgen kan aantonen, is het immer nogal logisch dat, indien dit gebaseerd blijkt te zijn op foutieve informatie, het slachtoffer zich kan verhalen op de verantwoordelijke. Dit blijft dus in deze nog steeds de uitgever. De journalist zal dan misschien nog weinig werk voorgeschoteld krijgen, maar daar draagt hij dan ook de volle verantwoordelijkheid voor.

De bescherming van het bronnengeheim is ontegensprekelijk onontbeerlijk voor degelijke journalistiek. Voor minder degelijke journalistiek kan het torenhoge schadevergoedingen achteraf betekenen. Elk slachtoffer van deze minder fraaie journalistieke kant is er misschien wel één te veel, doch hoeft de journalistiek in zijn geheel hiervoor niet geslachtofferd te worden door de bescherming te gaan vernauwen. Een goede garantie op persvrijheid impliceert de noodzaak deze zo min mogelijk te beperken. De legitieme beperking die men reeds heeft ingelast was noodzakelijk, en is duidelijk afgebakend. Een bron wordt enkel prijsgegeven indien men op geen enkel andere manier een levensbedreigende situatie kan verhelpen. Hieruit blijkt het ethisch gezien immense belang vooraleer de beperking kan gelden. Daaraan kan zelfs de grootste bedreiging van de persoonlijke integriteit niet voldoen.

De voordelen tegenover de nadelen van een verdere uitholling van de wet tegenover elkaar afwegen geeft in ieder geval aanleiding tot een interessant debat. Vooralsnog voldoen de argumenten om een verdere uitholling te rechtvaardigen echter niet. Zolang dit het geval is en men geen onomstotelijk bewijs kan aandragen voor het tegendeel, mag de wet dan ook gerust onveranderd blijven. Het betreft immers één van de meest bejubelde terzake in Europa. Iets om terecht trots op te zijn en blijvend te verdedigen.

Van Kelecom Joris

  • Comments(0)//syntra1.youngjournalists.com/#post34